Onze geschiedenis

Rond 3000 VC kwam een groot land gekend als Scytia in beroering, stammen uit de Noord -Aziatische steppen vielen, rovend en plunderend, het vruchtbare land met zijn snel groeiende bevolking binnen. De kusten werden onveilig gemaakt door piraten uit het Mediterrane gebied die de bevolking in slavernij meevoerden. Tot overmaat van ramp werd het land ook nog geteisterd door een enorme droogte die eeuwen zou aanhouden. De structuur van de maatschappij was die van onderling samenwerkende stammen. Gedwongen door de druk van de invasies en de onmogelijkheid om de eigen mensen nog van voedsel te voorzien, begonnen verschillende stammen het land te verlaten op zoek naar herbergzame streken. Sommigen gingen noord en westwaarts naar de minder bevolkte streken van Centraal en Oost Europa en bereikten Gallië en Brittanië. Andere groepen trokken zuid en dan westwaarts langsheen de zuidelijke kusten van de Middellandse zee. Onder hen was de hechte groep van de Tuatha de Danann, de kinderen van de Godin Danu. Primair waren de Danann agrariërs (merk op dat hun voornaamste godheid vrouwelijk, vruchtbaar en Moeder is), toch waren zij bekwaam om zich aan het leven op zee aan te passen, uit de verhalen blijkt dat zij zich op het water even goed thuis voelden als op het land. Toen zij de Straat van Gibraltar bereikten zonder te vinden wat zij zochten, trokken zij onverschrokken verder naar het noorden langs de zuidelijke kusten van het Iberische schiereiland en de vruchtbare laaglanden van Portugal.

Mogelijk waren er berichten van vroegere Scytische verkenners over een nabij paradijs tot de Tuatha doorgedrongen, blijkbaar waren zij op de hoogte van het bestaan van de Firbolg op hun dun bevolkte eiland. Hoe dan ook, tenslotte zette de Tuatha vloot koers naar het smaragden eiland. Zij zouden een gouden hoofdstuk toevoegen aan de vaak stormachtige geschiedenis van Ierland. De Tuatha zetten hun schepen op het strand van de schaars bevolkte westkust van Ierland en staken ze vervolgens in brand. Er was geen weg terug. Zij werden onmiddellijk ontdekt door de Firbolg wier aantal veel groter was. De Tuatha waren echter veel beter bewapend en waren ook beter gemotiveerd dan de verdedigers. Zij daagden de Firbolg uit voor een gevecht om de heerschappij over het eiland. De Firbolg snelden toe om de bedreiging het hoofd te bieden en de legers stootten op elkaar bij Zuid-Mag Tuired.

De Danann met hun recente ervaring op krijgsgebied waren beter geoefend en hun wapens waren doeltreffender. De uitdagers beschikten tevens over een lichte en zeer accurate speer en hun schilden waren sterker en lichter dan die van de verdedigers. Na de eerste gevechten trokken de Firbolg zich terug uit de strijd en begonnen de vijandelijkheden te vertragen. De Firbolg weigerden het gevecht en verzonnen allerlei uitvluchten; speren en zwaarden moesten geslepen worden, dan weer moesten schilden gesteld of helmen gepoetst. Zij merkten tevens op dat het niet eerlijk was dat de wapens en krijgsmethoden zo ongelijk waren, zij wilden dezelfde wapens leren maken en gebruiken. De Tuatha konden dan van hen de techniek van hun veel zwaardere speer (de croissnach) leren, die kon immers ook serieuze schade toebrengen! Met koele vaardigheid wisten de Firbolg het gevecht 105 dagen uit te stellen terwijl de Tuatha zich verbeten.

Ondanks het uitstel behielden de Tuatha het voordeel, als de Firbolg zo op gelijkwaardigheid gesteld was, diende onder de heersende krijgswet de strijd ook gevoerd te worden met gelijke aantallen, hoewel met tegenzin moesten de Firbolg hiermee instemmen. Men verhaalt dat de strijd vier dagen woedde, de Firbolg werden verslagen maar weigerden dat te erkennen en stelden een nieuwe slag voor die zou gevoerd worden door 300 tegen 300.

De Danann waren onder de indruk van de moed van de Firbolg, bovendien waren zij de totale uitputting nabij. Onderhandelingen werden weer opgenomen en een bestand bepaalde dat de Firbolg een kwart van het eiland zouden behouden, namelijk het gebied waar de strijd geleverd was. De provincie Connaicht bleef van de Firbolg, de rest viel onder het zeggenschap van de Tuatha. De strijd (de eerste slag bij Mag Tuired), was voorbij. In de Ierse legenden nemen de Tuatha een aparte plaats in ten opzichte van alle anderen die over Ierland geheerst hebben, zij torenden hoog boven de anderen en werden beschreven als een volk van wonder, magie en romantiek. Zij waren bekwaam in alle kunsten en meesters in de toverkunsten. De Tuatha brachten de vier heilige symbolen van hun religie naar Ierland. Uit het oosten kwam het Zwaard van het Licht waarmee de strijd tegen de duisternis gevoerd wordt. Uit het zuiden kwam de Zonnespeer, het symbool van Levenskracht dat nooit zijn doel mist. Uit het westen kwam de Ketel van Heling die het levenswater bevat, geen individu of groep gaat ooit onvoldaan van de Ketel heen. Uit het noorden kwam de Steen van Fal, de persoon onder wie deze steen schreeuwde werd de heerser van Ierland.

Sommige legenden vertellen dat de vier symbolen werden meegebracht uit de vier Steden Findias, Gorias, Murias en Falias. Deze Steden liggen op de vier uiteinden van de Groene Diamant (de Aarde). In het midden van de Groene diamant is de vallei van de waardevolle kristallen. Deze vallei heeft de vorm van een hart en het is daar dat de onsterfelijken hun levenskracht vernieuwen. Latere legenden claimden dat alle volkeren naar Ierland kwamen met schepen, maar “de Danann kwamen door de lucht, verhuld in duistere wolken en landden op de berg Conmaicne Rein”. De legende over de strijd met de Firbolg beschrijft de Danann als “het handigste en verrukkelijkste gezelschap ooit aanschouwd, billijkste onder de billijkste, gedistingeerd, ongeëvenaarde musici en de meest begaafden naar geest en temperament die ooit naar Ierland kwamen”.

Tijdens de slag met de Firbolg (de eerste slag bij Mag Tuired) had Nuada, de koning van de Tuatha, een hand verloren. De grote genezer Diancecht kon de afgehakte hand niet terugzetten, maar met de hulp van Creidne de smid kreeg hij een zilveren hand. Waar de Danann in termen van schoonheid beschreven werden, zijn hun Keltische tegenhangers, de Fomoriërs, (die niet ophielden het land te plunderen nadat de Danann gevestigd waren) omschreven als vreselijke monsters. Beide volkeren hadden druïden met grote mogelijkheden en kunde, zelfs hun religie was bijna dezelfde. De gelijkenis zou verbluffend zijn als de legende niet vertelde dat de beide volkeren van dezelfde oorsprong waren. De Danann wensten niet meer dan met rust gelaten te worden in hun nieuwe thuisland. De Fomoriërs waren rovers en piraten die van het zwaard leefden, terend op het werk van anderen inbegrepen de Tuatha. Al was er een belangrijke gelijkenis tussen de religies, er waren ook aanzienlijke verschillen. De Tuatha werden beschouwd als de afstammelingen van de Godin Danu. Zij die leven schonk en verzorgde. De Fomoriërs daarentegen waren de afstammelingen van de God Bile, kompaan van Danu, heerser van de dood en de onderwereld. Zij belichaamden de duistere zijde van de Kelten. De twee volkeren bestonden naast elkaar en er werden zelfs huwelijken onderling gesloten, maar de Fomoriërs hebben nooit Ierland bewoond. Zij leefden hoofdzakelijk in versterkingen op de omliggende eilanden en de Hybriden. Ondanks hun relatie maakten de Fomorische plunderingen een groot conflict onvermijdelijk.

Onder de wetten van de Tuatha moest een heerser in perfecte vorm zijn, zowel lichamelijk als geestelijk, daarom moest Nuada met de zilveren hand plaats maken voor een opvolger. De Tuatha selecteerden de kampioen krijger Bres (de mooie) als hun nieuwe heerser. De keuze had een politieke achtergrond; Bres was de zoon van een Tuatha prinses en een Fomorische koning. Gehoopt werd dat zijn verkiezing de Fomoriërs zou weerhouden van hun strooptochten. Bres regeerde zeven jaar, hij bevoordeelde zijn meedogenloze Fomorische broeders ten opzichte van de Tuatha. Het volk begon te mopperen. Bovendien bleek hij een door de gastvrije Danann verafschuwde gaven te hebben: hij was gierig en prikkelbaar. Bezoekers aan het hof klaagden dat hun mes “niet gesmeerd” werd (met vet van het vlees) aan ‘s konings tafel, evenmin “geurde hun adem naar bier”. Vooral dichters waren geliefd bij het volk en hadden recht op een uitzonderlijke ontvangst door de koning. Daar maakte Bres zijn fatale fout toen Cairbre, de grootste en populairste dichter van zijn tijd, een bezoek bracht aan het hof. Bres bracht hem onder in een kale kamer en serveerde hem een bord met enkele droge koekjes in plaats van het verwachte feestmaal. De poëet verliet het hof in een gerechtvaardigde razernij en maakte een hekeldicht op de koning en zijn hof. Toen het volk van deze schande haar dichter aangedaan hoorde, kwam het in opstand, het mopperen sloeg om in woede. De Tuatha bestormden het koninklijke paleis en verjoegen Bres uit Ierland. De verdreven Bres wendde zich tot Elatha zijn vader (leider bij de Fomoriërs) en verzocht om hulp bij de herovering van de Ierse troon. Elatha en Bres verzamelden een grote krijgsmacht en zeilden naar Ierland. Zij landden in Noord Mag Tuired, (nabij het huidige Sligo) om de Tuatha in slagorde tegemoet te treden. Deze slag is gekend als de “Tweede slag van Mag Tuired”.

De legende vertelt dat de Tuatha zich zeer hadden ingespannen om zich voor te bereiden op het op handen zijnde gevecht. Het tijdelijke bevel over de strijdkrachten was gegeven aan Lugh, de zoon van Cian en kleinzoon van Diancecht. Zijn moeder was Ethlinn, dochter van de Fomorische koning Balor met het kwade oog. Lugh was niet enkel een kampioen krijger, hij was een Ioldanach, meester in alle kunsten. Hij ging tot het pantheon behoren naast Diancecht, Dagda, Ogma, Giobniu de smid, Creidne de edelsmid, Lughtaine de timmerman, Morrigu (Godin van de oorlog), Cairbre de dichter, Firgol de druïde en de grote Danann koningen en koninginnen. De tweede slag van Mag Tuired staat bekend als de grootste slag in de Ierse legenden. De slag wordt beschreven als de strijd tussen goed en kwaad. Tot de dag van vandaag zijn er herinneringen aan deze strijd in de vorm van steenhopen en pilaren die verspreid op het slagveld zijn opgericht op het veld dat in het Keltisch benoemd wordt als “De Vlakte van de Torens der Fomoriërs”.

De twee machtige legers stonden van aangezicht tot aangezicht op de dag van Samhain (1 november) een dag die door de oude Westerse culturen vaak gekozen werd voor een veldslag. De hoofdmacht van de legers bleven op hun plaats terwijl dag na dag individuele krijgers duels uitvochten. Toch was nog geen der grote krijgers van beide zijden in de strijd betrokken geweest, de Tuatha leken toch vooruitgang te boeken. Danann krijgers de ene dag gedood of gewond, bleken de volgende dag weer springlevend aan de strijd deel te nemen, het leek of beschadigde wapens ook weer op een magische wijze hersteld werden terwijl de Fomoriërs hun beschadigde wapens, helmen en schilden moesten afdanken. Alle pogingen van de Fomorische spionnen om de geheimen van de Danann te achterhalen waren vruchteloos. Tenslotte besloten de Fomoriërs tot de veldslag. De grote krijgers stelden zich in gelijke aantallen tegenover elkaar op, allen behalve Lugh. De Raad van de Tuatha had besloten dat hij té waardevol was om te strijden en had hem onder zware bewaking afgezonderd. Verontwaardigd ontsnapte Lugh aan zijn bewakers en op het allerlaatste moment voor de strijd begon, dreef hij zijn strijdwagen naar de voorste gelederen van zijn strijdmacht en moedigde zijn strijders aan met een gepassioneerde toespraak. Met geweldig gebrul en slaande met de zwaarden op de schilden stortten de beide legers zich op elkaar. De tweede slag bij Mag Tuired was begonnen. Zó dicht op elkaar vochten ze dat handen, voeten en hoofden in elkaar verstrengeld waren, het was een razende slachtpartij. Zoveel bloed werd vergoten dat het moeilijk was om op de been te blijven en dat de rivier Unseen gevuld was met het levensbloed en de lijken van de verslagenen. Vele grote krijgers vielen in de slag, de Tuatha verloren Nuada met de Zilveren hand en zijn krijger echtgenote Macha. Ogma, de Tuatha kampioen doodde Indech. Tenslotte kwam Balor met het kwade oog tegenover zijn kleinzoon Lugh. Lugh sprak zijn opponent toe in de Fomorische taal. Balor had zijn dodende blik gereed. Het ooglid dat dit oog beschermde was zó zwaar dat het door vier Krijgers moest opgetild worden. Op dat ogenblik slingerde Lugh een magische steen die het oog dwars door de schedel sloeg, het viel op de grond en doodde nog vier rijen Fomorische krijgers door hen aan te staren. Na Balor’s dood werd zijn hoofd afgehakt en op een stenen pilaar geplaatst als een trofee. Zoveel kwaad zat er nog in het hoofd dat de pilaar in vier stukken uit elkaar viel. Het verlies van Balor was het begin van het einde voor de invallers, ze gingen op de vlucht. De meesten van de Fomoriërs werden gedood en de rest vluchtte naar hun eigen land over de zee. Van de Fomorische helden werd enkel Bres gespaard nadat hij de Tuatha vele ploegen en succes had beloofd en een goed zaai- en oogstseizoen verzekerde. De Kinderen van de Godin Danu waren nu de onbetwiste meesters van het eiland. De Tuatha de Danann die nu ongehinderd hun kunnen konden ontplooien werden door de latere volkeren beschouwd als machtigste onder de magiërs.

De Milesiërs, de latere dominante cultuur in Ierland, brachten de Tuatha tot de mystieke sferen in hun folklore, zij maakten de grootsten der Danann tot Goden en Godinnen in hun pantheon. Aldus creëerden zij de prachtige mythologie die Ierland’s erfgoed is. De Legendarische verslagen van de Milesiërs verhalen hoe zij (de Milesiërs) vanuit Egypte via Kreta en Spanje naar Ierland kwamen. Zij werden Geal (Godhoal) genoemd naar een verre voorouder Godhoal. Niul, de kleinzoon van Godhoal, was met zijn volk in Egypte uitgenodigd als leraar. De farao was zo onder de indruk van Niul’s kunnen dat hij zijn dochter Scota (een vaak voorkomende naam in de Ierse mythologie) ten huwelijk gaf aan de Kelt. Een latere farao was veel minder gecharmeerd van Niul en kwam in conflict met hem. De situatie liep uit de hand en hij moest met zijn volk de vlucht nemen. Na lange omzwervingen waarbij ook een lang verblijf op Kreta, kwamen de Milesiërs tenslotte in Spanje terecht. Daar nam Miled het leiderschap. Daar hoorden zij over Ierland en Miled zond een verkenner naar het Eiland. Deze verkenner werd onmiddellijk door de Danann ontdekt en omgebracht. Ondanks het verlies van die verkenner(of misschien wel precies daarom), zeilden de Milesiërs naar het paradijslijke eiland. Tijdens het lange verblijf in Spanje was Miled overleden maar zijn zoons en vrouw Scota leidden het volk. De druïden van de Tuatha zonden hen een zware storm tegemoet en vele schepen vergingen, daarbij verdronken vijf zonen van Miled. De resterende Milesiërs verdeelden zich in twee groepen en ondanks hun tegenslag ontscheepten zij op twee plaatsen. De ene groep kwam aan land bij Bantree Bay nabij het huidige Cork en Kerry. De andere groep landde bij de monding van de rivier de Boyne in het oosten. Eber leidde de landing en stuitte al zeer snel op de Tuatha geleid door koningin Eire. Eire sneuvelde tijdens de slag en haar leger werd verslagen. De prijs van de overwinning was ook voor de andere partij hoog: zij verloren hun koningin Scota.

De twee legers botsten op elkaar bij Country Meath, daar werd de grote veldslag gevoerd en werden de Tuatha de Danann verslagen. De Tuatha verloren alle drie hun koningen en koninginnen in hun laatste gevecht. De weinigen die overleefden vermengden zich met de invallers. De Tuatha verdween in de anonimiteit, de basis voor de legende over hun kennis, kunst en toverij was gelegd. Het jaar van de landing van de Milesiërs was het jaar 2736 (YOW) en het Grote jaar 144 (GY) Beide jaren zijn als men de cijfers optelt negen jaren, negen is in de Keltische traditie een van de heilige getallen en geld als het getal voor vereniging en beëindigden van een cyclus. Het jaar van de invasie is zonder twijfel zorgvuldig gekozen, de Keltische invasies waren nu beëindigd en het land leefde gedurende 1700 jaar in voorspoed. Door de eeuwen heen zijn er nog andere invasies geweest van verschillende omvang en succes. Er waren de Picten, later de Brythons en nog later de Noormannen. Zij kwamen en boekten soms overwinningen om vervolgens opgenomen te worden in de algemene Keltische cultuur. Opgenomen door het volk werden zij Ieren en de Ierse Kelten kenden een grote bloei. Het waren gouden eeuwen in de Ierse geschiedenis. Het lijkt er op dat de drie Keltische volkeren , de Firbolg, de Tuatha de Danann en de Milesiërs het beste van zichzelf aan het land geschonken hebben. Industrieel en intellectueel ontwikkelde dit kleine volk een cultuur die de grootste westerse culturen van die tijd evenaarde, zo niet overtrof. De Ieren toonden zich ware meesters in kunsten, vakmanschap en wetenschap. Ierse goederen naast Phoenesische konden gevonden worden in elke mediterrane en Atlantische haven. Vooral goud werd verhandeld en de kunstwerken in dat metaal zijn nog heden in overvloed te bewonderen. In tegenstelling tot wat aangenomen wordt, was Ierland een land van boeken en brieven, zelfs de “heilige” Patrick vestigde de aandacht op de filosofische en literaire werken van het volk wiens cultuur hij trachtte te onderdrukken. De Oude kennis bleef echter nog lang bewaard. Tot in de 13e eeuw stuurden de Engelse koningen hun zonen naar Ierland om “onder de Eik” door de Ierse wijzen onderwezen te worden. Zeventien eeuwen leefden de Geals in betrekkelijke vrede. In die tijd ontwikkelden zij zich op alle vlakken en konden zich meten met de Romeinse legers die Brittania veroverden. In die tijd was er reeds een teruggang van de cultuur, een voorbode van de invloed van de nieuwe religie die de Ierse cultuur voor eeuwen in duisternis zou hullen.